woensdag 5 juni 2013

Trois héros sur leurs vélos : de Mont Aigoual...

Zoals gisteren in de blogpost over de Cevennen reeds gemeld is één van de bekendste, zoniet de bekendste berg in de regio de Mont Aigoual…

Deze berg speelde de hoofdrol in één van de beste wielerboeken aller tijden, nl. DE RENNER van Tim Krabbé…

Hieronder een bijlage uit wielertijdschrift Grinta, waarbij de redacteur de “Ronde van de Mont Aigoual”, de wedstrijd die Tim Krabbé in De Renner beschrijft, volledig fietst en hierover een fictief verhaal schrijft…veel wielerleesplezier !

Meyrueis, Lozère, 3 juni 2010.
Warm weer maar ook weer niet té warm. Goed, hou ik wel van. De wagen waarmee ik naar hier ben gekomen, bestickerd met
Grinta!, valt op. Ik voel de blikken van de andere deelnemers, mijn concurrenten. Of zouden ze kijken naar de regenboog op mijn trui of broek?
Maakt me niet uit als ze straks op mijn wiel rijden. Ik ken het parcours. Het is selectief genoeg om het verschil te maken. Als je goed bent…

“En, in vorm?” Ik ken die stem. Ik draai me om. Een wat gedrongen kereltje. Een buikje. Het is Karl. Ooit, toen hij nog koerste, was hij nog goed voor zilver op één of ander wereldkampioenschap maar die tijd heeft hij al een poos achter zich gelaten. Toch beschouw ik hem vandaag als een concurrent. Dus op zijn vraag of ik in vorm ben, antwoord ik naast de
kwestie. Ik antwoord ook niet graag op zo’n vraag. Vorm is iets heiligs. Daar spring je niet kwistig mee om. Ook niet verbaal. “Zullen we straks zien”, zeg ik. “Hou Krabbé in de gaten. Hij weet hier elke steen liggen”, fluistert Karl me nog toe vooraleer hij zich naar het tafeltje met het startblad begeeft.

Karl heeft het over Tim Krabbé. Een Hollander. Niet meer van de jongste. Naar verluidt zou hij in deze koers jaren geleden tweede zijn geworden. Geklopt in de sprint door een zekere Reilhan. Kortom: ik moet ‘m in de gaten houden. En het ‘m lastig proberen maken onderweg. Kansen genoeg daartoe. Er wacht ons 137 km. Scherprechter is de Mont Aigoual. Die komt op het eind. Maar vooraf zal er al heel wat slopingswerk zijn gebeurd. Nog een half uur voor de start.

Wat is een wielrenner toch lang bezig met zichzelf. Sokjes, schoentjes, massageolie (ik heb graag een stel glanzende benen), helm, bril, energierepen, een gelletje, bidons prepareren, rugnummer opspelden, … Even mezelf bekijken in de etalage van de ‘boulangerie’. Egotripper. Ik ben klaar, kan eindelijk mijn krabbel op het startblad zetten. Ik zie veel handtekeningen. Hoeveel deelnemers zouden er zijn? Vijf minuten voor de start. Ik kijk om me heen. Er wordt nog even genipt aan bidons, bandenspanning wordt gecheckt, er worden nog enkele plasjes gedaan, mouwtjes worden strak getrokken. Ik kijk naar de benen van mijn concurrenten. Afgetraind met een uitgesproken textuur? Rijkelijk beaderd als een stuk marmer? Of niet?

Vorig jaar zag ik nog een foto van de benen van Lance Armstrong. Indrukwekkend. Zijn kuiten leken wel bezaaid met kleine bergriviertjes zoals je er hier in deze streek zo veel hebt. Bij de grote Fausto Coppi was het net zo. Doch wanneer één bepaalde ader opzwelde, zou dat het teken zijn geweest dat Coppi het lastig kreeg. Dat wist zijn grote rivaal Gino Bartali
maar al te goed, waarop die één van zijn knechten sommeerde de ader van Coppi te observeren. Begon Coppi’s ader te zwellen, dan was dat het sein voor de ‘gregario’ om kopman Gino te waarschuwen. Waarop die dan in de aanval ging. Feit of fictie? Geen idee, da’s net het mooie aan deze koers. “Ik ken dat verhaal”, zegt Dimitri terwijl hij me op de rug tikt. ‘Dimi’
doet vandaag ook mee. Hij is een nostalgicus, houdt van de anekdotiek van het wielrennen. Hij fietst in een retropakje. Hij is een dromer. Fietsen doet hij voor het plezier. Geen haar op zijn hoofd dat eraan denkt om ‘mee te zijn’ in de finale van deze wedstrijd.

Over haar gesproken: hij heeft zijn benen niet geschoren! Wat zegt men ook alweer: je bent pas écht coureur als je je benen hebt geschoren? Of was het als je de Tour de France hebt uitgereden? Hoe dan ook, Dimitri vormt geen bedreiging voor mij, noch voor de overwining. Maar wat kan hij sappig vertellen over de koers. Pang! “Allez, c’est parti!” Het is de burgemeester van Meyrueis die het startschot geeft. Het publiek applaudiseert, moedigt ons aan. Daar houden wielrenners van. Ze geven het niet toe maar toch is het zo. We fietsen de eerste kilometers aan een toeristentempo, langs de Jonte, een zijstroom van de Tarn. Langs het peloton vormt zich een haag rotspartijen. Het is hier mooi. Nu heb ik er nog oog voor, straks niet meer. Zeker niet na de doorkomst in Meyrueis, waar de finale pas echt zal beginnen. Er zijn 1.001 wedstrijdscenario’s mogelijk. Welk wordt het vandaag?

Ik tuur rond in het peloton. Helemaal voorin (maar nooit met de neus in de wind) zit Wouter. Een slimme coureur. Eerst het bord van een ander leegeten, weet je wel. Hij weet hoe de koers in elkaar zit, hem verras je zelden of nooit. Als er nog zoiets bestaat als een ‘patron’ in de koers, dan moet hij het wel zijn. Of hij vandaag meespeelt, kan ik niet inschatten. Bergop is het ooit beter geweest maar met zijn daal- en rouleurcapaciteiten maakt hij veel goed. En als hij ergens zijn zinnen op zet…
Een renner springt weg. Ik kan niet zien wie het is. Het is gissen. Dimitri zou gedemarreerd hebben. Inderdaad, ik herken zijn 'zit' op de fiets. Niet de meest oogstrelende. Heeft te maken met zijn zwakke rug. Het peloton laat begaan. En terecht. Hier wordt de koers immers niet gemaakt. Het is te vroeg. “Nu moet je nog niet ‘mee’ zijn”, bevestigt Sven. ‘Shit, die is er
vandaag ook bij’, flitst door mijn hoofd.

Het parcours is misschien net te zwaar voor hem en maar goed ook. Want als je die meeneemt naar de finish… Ooit werd hij nog nationaal kampioen bij de beloften. Dimitri begint met een minuut voorsprong aan de Causse Méjean, de eerste beklimming van de dag. Hij is een man alleen, beleeft zijn moment de gloire, goed wetend dat het van korte duur zal zijn. Maar daar maalt hij niet om. Er wordt weer gedemarreerd. Het is Geert. Het is niet aan mij om te reageren. Geert en ik hebben immers een geheim pact. Als hij gaat, blijf ik zitten. Als ik weg ben, beschermt hij mijn vlucht. Geen idee of de tegenstand op de hoogte is van onze combine. “Hop, hop, hop!”, wordt er geschreeuwd vanuit de buik van het peloton. Het
is de stem van Wouter. Hij hoopt dat er anderen voor hem de kastanjes uit het vuur halen, lees: de vlucht van Geert neutraliseren. Dat gebeurt niet. Twee renners voorin. Dimitri en, in de achtervolging, Geert.

Eens boven op de Causse Méjean, volgt een lange afdaling tot Meyrueis. Hier zijn vluchters vogels voor de kat. En de
kat is dan het jagende peloton. Een halve minuut hebben ze nog voor het binnenrijden van Meyrueis. De twee zijn intussen samen. Geert op kop, Dimitri klittend aan zijn wiel. In het peloton groeit de nervositeit. Een renner voor mij nipt aan zijn
bidon. Goed idee, denk ik. En ik doe hetzelfde. Al schaam ik me een beetje: ik wil immers niet overkomen als een
navolger. We zijn 67 km ver, ongeveer halverwege. En er is nog niets gebeurd. Het kriebelt. Ook bij mij. De Causse Noir wacht op ons, zes kilometer klimmen.

Aan de finish staat een jongedame, helemaal in het wit gekleed. Ze is mooi. Wow! Het werkt inspirerend. Ik weet het nu zeker: ik val aan. Het is genoeg geweest. Klik, klak. De ketting verspringt naar een kleiner kroontje achteraan. Ik ben weg. Heeft ze het gezien? Heeft ze die machtsontplooiing gezien? Ik ben alleen. Wordt het zo makkelijk vandaag? Een bocht verder zie ik een renner. Dimitri. Geert moet hem gelost hebben. Logisch. Geert is de betere klimmer. En hij kan diep gaan. Héél diep. En hij kickt er nog op ook. Ik flits Dimitri voorbij. Helaas voor hem. Ik kijk op mijn kilometertellertje. 83km ver, begin van de afdaling van de Causse Noir. Situatie: twee leiders, Geert en ikzelf. We verstaan elkaar. Er is geen beter scenario denkbaar.

Te vroeg? Ach, achteraan moeten ze nu harder trappen. Enkele kilometers verderop, net voor het binnenrijden van Trèves, sluiten drie renners aan: Sven, Karl en Wouter. Vijf koplopers in de Ronde van de Mont Aigoual anno 2010. Gaat het tussen die vijf renners voor de zege? Het moet wel. “Komaan mannekes, doorgaan! De Hollander is er niet bij”, snauwt Wouter. Ik
gehoorzaam. Wouter heeft inderdaad een punt: Krabbé is niet mee. Slechte dag allicht. Of de leeftijd die zijn tol begint te eisen. Wanneer het zijn beurt is om over te nemen, knipoogt Sven naar mij. Hij is er dus nog steeds bij. De mentale oorlogsvoering is begonnen, nog lang voor de fysieke strijd is beslecht. Sven meenemen naar de streep is geen optie.

De beklimming naar Camprieu is het voorgeborchte van de Mont Aigoual. Lastig. Geert rijdt een strak tempo. Wouter en Sven beperken zich tot volgen, zijn ook karig met de zweetdruppels. Karl en ik niet. Koersen, verdomme! Liever attractief fietsen en ten onder gaan, dan ‘slepen’ en winnen. Attractief koersen is soms, maar niet altijd, het synoniem van dom koersen. Dat laatste doe je beter niet. Anders wint een wieltjeszuiger de Ronde van de Mont Aigoual. En dat willen we dit monument niet aandoen. Een steil stuk. Wouter ziet ons achterwiel kleiner worden. Ook Karl heeft het moeilijk. Ze lossen. “Vive le vélo!”, hoor ik Karl nog tieren. We zijn nog met z’n drieën. Sven geeft geen krimp. Sterk maar… wacht maar op
de Aigoual. Dit kan niet blijven duren.

De beklimming naar het observatorium is niet van de allerzwaarste maar is er een in schuifjes. Van de Col de la Sereyrède gaat het naar de Col de Prat Peyrot en vervolgens naar de 1.567 meter hoge Aigoual. Daar moet en zal het gebeuren.
Klik, klak. Geert versnelt. Ik blijf zitten om evidente redenen. Eén: er is mijn geheime afspraak met Geert. Twee: Sven is de snelste van ons tweeën. Dat hij het dus maar oplost. Geert wordt kleiner en wij rijden almaar trager. “Awel?”, vraagt Sven. Ik haal mijn schouders op. Hij blijft nu tempo rijden. Geert is nu nog kleiner dan daarnet. Ik heb superbenen maar mag ze niet etaleren. Is de koers verloren?

Klik, klak. Als een deus ex machina knalt een renner ons voorbij. Het is… Krabbé. Als een duiveltje uit een doosje komt hij zich alsnog mengen in de finale van ‘zijn koers’. Is hij een turbodiesel? Heeft hij zijn wedstrijd dan zo goed ingedeeld? Of heeft hij gewoon superbenen maar werd hij daarnet door pech geremd? Geen tijd om te denken. Hij gaat hard. Ik moet mee. Ik doe dat ook. Het doet pijn maar er is geen andere weg wil ik eeuwige roem verwerven in Meyrueis. En wil het meisje in het wit voor me vallen. Pluspunt van de verrijzenis van Krabbé: Sven is gelost. Eén snelle man minder. Krabbé is nu mijn locomotief. Mijn persoonlijk derny naar de top van de Aigoual, op weg naar de koploper. Krabbé zegt niets. Hij vraagt zelfs niet om over te nemen. Ideaal. Het tempo dat hij me oplegt, volstaat overigens. Daar rijdt Geert. We halen hem bij. Hij
kan niet meer aanpikken. “Te veel gegeven”, klinkt het verontschuldigend.

Het gaat nu tussen Krabbé en mezelf. Tussen een wereldkampioen en een Hollander. Een atypische Hollander dan: deze zuigt geen wieltjes. De afdaling naar Meyrueis. Rechts ligt de top van de Perjuret, het zwarte beest van Roger Rivière. In de Tour
de France van 1960 vloog Rivière, de challenger van geletruidrager Gastone Nencini, hier het ravijn in. Zijn loopbaan was voorbij. Deze afdaling tot Meyrueis is allesbehalve technisch. We werken nu goed samen. Ik voel me zegezeker. Ik ben nochtans niet van de snelste. Maar dit oudje moet ik wel aankunnen, denk ik dan. Bordje Meyrueis. We vertragen. Wie zet de
sprint in? Wat is het verstandigst? Wat is het meest efficiënt? Ga ik nu al? Ik stel te veel vragen. Krabbé geeft het antwoord.

Het is nog nauwelijks 200 meter en hij zoeft me voorbij. Ik sta te groot. Ik haal het niet. Of toch. Ja… hij valt stil. Tanden op elkaar, ogen dicht. De ultieme kattensprong… De speaker brult het uit. “C’est Tim Krabbé qui gagne le Tour du Mont Aigoual!” Ik ben tweede. De vloek van de regenboogtrui? Ach, ik heb nog altijd het meisje in het wit. Ik zoek haar.
Ze staat op het podium, ze is vandaag het bloemenmeisje. En ze heeft alleen maar oog voor de Hollandse winnaar,
niet voor mij. Dat is balen. Ik druk Krabbé de hand en hij de mijne. “Goed gereden”, zegt hij. “Jij ook”, stamel ik. “Ik had nochtans kunnen leven met een ander einde voor dit verhaal”, knipoogt hij. Had ik dat vooraf geweten.

Geen opmerkingen: